Ad de Jonge (1919- 2002)

Brons (2017)

In zijn vrije tijd droeg mijn vader (Ad de Jonge of “Adje” voor intimi) een lichtbruine,  ribfluwelen slobberbroek (grove rib) met onwaarschijnlijk grote pijpen. Ik noemde dat pappa’s “berepak”.

Als mijn vader in zijn nopjes was, gingen zijn handen op de rug. Dat was de voor hem typische houding waarin hij, een beetje op afstand, het gekrakeel binnen zijn familie aanschouwde. Maar voor hetzelfde geld was het de houding waarin hij met zijn vrienden sprak over geopolitieke verhoudingen of de op handen zijnde machtswisselingen in het Kremlin.

Mijn vader was van jongs af aan politiek betrokken. De opkomst van Hitler Duitsland vervulde hem met grote zorg. Kort na de bezetting, in de herfst van 1940, werd hij dan ook actief in het verzet. Samen met oa Gerrit de Zeeuw en Jos Mol schreef en verspreidde hij het illegale blad  “Uit de Woestijn”. Dat kwam hem duur te staan. In maart 1941 werd hij gearresteerd en in de Scheveningse gevangenis (“het Oranjehotel”) opgesloten. Na zijn veroordeling in 1943 werd hij eerst naar kamp Amersfoort, daarna naar Vught en tenslotte als Nacht und Nebel häftling naar het concentratiekamp Natzweiler gedeporteerd. In augustus 1944 werd het kamp ontruimd en werd hij vanuit Natzweiler op transport gesteld naar Dachau waarna hij na vele ontberingen via Neuengamme, Gross-Rosen en kamp Dora uiteindelijk in de “Boelcke-Kaserne” (nabij Nordhausen) werd bevrijd. Zijn verzetsvrienden Gerrit de Zeeuw en Jos Mol hebben de oorlog niet overleefd.

Na de oorlog werkte mijn vader enige tijd bij het partijbureau van de PvdA. Daarna trad hij in dienst bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD). Men was daar op zoek naar mensen met een wat linksere orientatie. Omdat hij adelijk bloed had werd hij dan ook gekscherend  “de rode jonker” van de BVD genoemd.  Daar werd hij in de jaren ’60 hoofd van de Staf Buitenlandse Politiek  en later ook hoofd van de afdeling B (politiek extremisme).

Zoals alle kinderen aan hun ouders vragen stellen over wat ze nou eigenlijk “doen”, zo vroeg ook ik in die tijd ”Pap, wat doe jij nou eigenlijk voor je werk”. “Nou”, zei mijn vader dan “ lezen”. “Maar pap, wat lees je dan?”  “Nou, kranten” “ Ja, maar waarom dan?” “Nou, omdat ik dat interessant vind”…. etc etc etc.

Dat mijn vader graag kranten las, dat kon ik zelf ook wel verzinnen, want zijn bureau puilde uit van de stapels kranten (Nederlandse, Duitse, Engelse, Amerikaanse, Franse, Russische) waarbij de meest interessante passages in deze kranten door mijn vader van streepjes werden voorzien.

Pas veel later las ik in het boek “Villa Maarheeze” dat mijn vader als analiticus van de koude oorlog zeer hoog aangeschreven stond: “ CIA-medewerkers die in Den Haag gestationeerd waren, staken echter vooral de -in geheime kringen natuurlijk gedempte- loftrompet over W.A.H. (Ad) de Jonge …………  de Jonges roem strekte zich uit tot de krochten van Langley. Oud-CIA-medewerkers worden nog lyrisch wanneer zijn naam valt. Hij stond bekend als een unieke persoonlijkheid, “the brains of the BVD” en “ by far the most intellectual in the BVD”….. (Villa Maarheeze, de Graaff en Wiebes, 1998)

In Amsterdam werd aan de UvA in 2012 het interdisciplinaire “Ad de Jonge Centrum voor Inlichtingen- en Veiligheidsstudies” naar hem vernoemd.